Een verslaving kan geleidelijk steeds meer controle krijgen over uw leven. Wat aanvankelijk ontspanning, plezier of verlichting brengt, kan uitgroeien tot een moeilijk te beheersen drang.
Misschien hebt u al verschillende keren geprobeerd om te stoppen of uw gedrag te veranderen. Toch kan de behoefte om opnieuw alcohol, nicotine of andere middelen te gebruiken bijzonder sterk terugkeren.
Ook bepaalde gedragingen, zoals gokken of gamen, kunnen problematisch worden wanneer de controle erover verloren gaat.
Verslaving is niet eenvoudigweg een gebrek aan wilskracht. Het is een complexe aandoening waarbij onder meer hersennetwerken voor beloning, motivatie, gewoontevorming en zelfcontrole betrokken zijn.
Een belangrijk kenmerk is craving: een intense drang naar een middel of bepaalde activiteit, die het moeilijk kan maken om weerstand te bieden.
Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat deze drang samenhangt met de activiteit van verschillende specifieke hersengebieden.
Bij BRAI3N onderzoeken en behandelen we de hersennetwerken die betrokken zijn bij verslavingsgedrag, wat kan helpen om craving te verminderen.
Deze behandeling wordt beschouwd als een aanvulling op psychologische, psychiatrische en andere gespecialiseerde verslavingszorg.

Een verslaving ontstaat wanneer het gebruik van een middel of het uitvoeren van bepaald gedrag steeds moeilijker te controleren wordt, ondanks de negatieve gevolgen.
Wat aanvankelijk een bewuste keuze was, kan geleidelijk een sterk ingesleten gedragspatroon worden.
Mensen met een verslaving kunnen onder meer ervaren dat ze:
- Steeds opnieuw aan het middel of de activiteit denken.
- Een sterke drang voelen om opnieuw te gebruiken of het gedrag te herhalen.
- Meer gebruiken of langer doorgaan dan oorspronkelijk de bedoeling was.
- Moeite hebben om te stoppen, ondanks herhaalde pogingen.
- Het middel of gedrag gebruiken om spanning of negatieve gevoelens te verminderen.
- Bepaalde verantwoordelijkheden, relaties of activiteiten verwaarlozen.
- Opnieuw hervallen, zelfs na een langere periode zonder gebruik.
Niet iedereen ervaart al deze symptomen. Ook de ernst en het verloop verschillen sterk tussen personen.
Middelenverslaving
Een middelenverslaving ontstaat bij problematisch gebruik van psychoactieve stoffen, zoals alcohol, nicotine, cannabis, cocaïne, opioïden of bepaalde geneesmiddelen.
Deze stoffen beïnvloeden verschillende chemische boodschappers en hersennetwerken.
Ze kunnen tijdelijk plezier, ontspanning of verlichting veroorzaken, maar bij herhaald gebruik kunnen ook tolerantie, lichamelijke afhankelijkheid, veranderde beloningsverwerking en een sterke drang tot verder gebruik ontstaan.
Sommige mensen gebruiken middelen voornamelijk om een aangenaam effect te ervaren. Anderen merken dat het gebruik steeds meer dient om spanning, angst, somberheid of ontwenningsklachten te verminderen.
Beide processen kunnen bij een verslaving samen voorkomen.
Gedragsmatige verslavingen
Ook bepaald gedrag kan zo overheersend worden dat iemand er de controle over verliest.
Gokstoornis is een erkende gedragsmatige verslaving. Ook gaming disorder wordt binnen de internationale ziekteclassificatie als een stoornis door verslavingsgedrag erkend.
Bij deze aandoeningen kan het verlangen om opnieuw te gokken of te gamen steeds belangrijker worden, ondanks negatieve gevolgen voor het dagelijks leven.
Ook andere problematische gedragspatronen, zoals overmatig internetgebruik of compulsief seksueel gedrag, kunnen ernstige beperkingen veroorzaken. Niet al deze patronen worden echter medisch op dezelfde manier als een verslaving geclassificeerd.
Problematisch eetgedrag met verslavingskenmerken
Sommige mensen ervaren een bijzonder sterke drang naar bepaalde voedingsmiddelen, vaak producten die rijk zijn aan suiker, vet of zout.
Ze kunnen het gevoel hebben de controle over hun eetgedrag te verliezen en blijven eten ondanks verzadiging of negatieve gevolgen.
Dit wordt in wetenschappelijke studies vaak omschreven als food addiction.
Hoewel voedselverslaving momenteel geen afzonderlijke formeel erkende diagnose is, zijn er aanwijzingen dat bij een subgroep van mensen met problematisch eetgedrag hersennetwerken betrokken zijn die ook een rol spelen bij middelenverslaving.
BRAI3N-gerelateerd onderzoek heeft hieraan belangrijke wetenschappelijke bijdragen geleverd.
Craving is een intense, soms overweldigende drang naar een middel of bepaalde activiteit.
Deze behoefte kan plotseling ontstaan, bijvoorbeeld door een geur, een plaats, een herinnering of een emotionele gebeurtenis.
Iemand die probeert te stoppen met alcohol kan bijvoorbeeld een sterke drang ervaren bij het zien van een vertrouwd café. Bij problematisch eetgedrag kan een bepaalde geur of emotie een sterke behoefte aan eten oproepen.
Craving wordt onder meer beïnvloed door drie processen:
- Beloning: De verwachting dat het middel of gedrag een aangenaam gevoel zal veroorzaken.
- Stress en negatieve emoties: De verwachting dat gebruik tijdelijk verlichting zal brengen bij spanning, angst, somberheid of een onaangenaam gevoel.
- Aangeleerde prikkels: Omgevingssignalen, herinneringen of situaties die door eerdere ervaringen verbonden zijn geraakt met het middel of gedrag.
Deze processen kunnen elkaar versterken.
Daarom kan een sterke craving terugkeren, ook wanneer iemand gemotiveerd is om te stoppen.
Verslaving hangt samen met veranderingen in verschillende hersennetwerken.
Deze netwerken helpen normaal om beloningen te beoordelen, keuzes te maken, impulsen te controleren en gedrag aan te passen wanneer omstandigheden veranderen.
Bij een verslaving kunnen deze processen uit evenwicht raken.
Verschillende hersengebieden spelen hierbij een belangrijke rol.
De nucleus accumbens maakt deel uit van een belangrijk netwerk dat betrokken is bij motivatie, beloningsverwachting en het aanleren van gedrag.
Dopamine speelt binnen dit systeem een belangrijke rol.
Wanneer een middel of activiteit herhaaldelijk als belangrijk of belonend wordt ervaren, kunnen de daarmee verbonden signalen steeds meer aandacht en motivatie oproepen.
Het verlangen naar het middel kan daardoor sterk aanwezig blijven, zelfs wanneer het oorspronkelijke plezier verminderd is.
De anterieure cingulate cortex (ACC) is een belangrijk hersengebied bij de verwerking van motivatie, emoties, conflicten en het aanpassen van gedrag.
Verschillende delen van de ACC hebben onderling verbonden, maar deels verschillende functies.
- De dorsale anterieure cingulate cortex (dACC) speelt onder meer een rol bij het herkennen van gedragsconflicten en het aanpassen van reacties.
- De pregenuale anterieure cingulate cortex (pgACC) is betrokken bij emotionele en motivationele processen en bij het integreren van informatie over de eigen lichamelijke en emotionele toestand.
Wetenschappelijk onderzoek heeft veranderingen in deze gebieden gevonden bij mensen met intense craving.
Dit maakt de ACC tot een interessant aangrijpingspunt voor neuromodulatie.
De prefrontale hersenschors ondersteunt functies zoals plannen, beslissingen nemen, gevolgen inschatten en impulsen reguleren.
Wanneer iemand probeert weerstand te bieden aan craving, spelen deze functies een belangrijke rol.
Veranderingen in prefrontale hersennetwerken kunnen bijdragen aan het moeilijker kunnen onderdrukken van automatisch of aangeleerd gedrag.
De posterieure cingulate cortex (PCC) maakt deel uit van het Default Mode Network.
Dit netwerk is onder meer betrokken bij zelfgerichte gedachten, herinneringen en het verwerken van persoonlijke ervaringen.
Bij verslaving kunnen herinneringen aan eerdere beloningen en aangeleerde gedragspatronen bijdragen aan het opnieuw ontstaan van craving.
Onderzoek naar verslaving en problematisch eetgedrag heeft ook veranderingen in de activiteit en samenwerking van de PCC aangetoond.
Onderzoekers waaronder prof. Dr. Dirk De Ridder en prof. Dr. Sven Vanneste hebben de neurobiologische mechanismen van craving bij verschillende vormen van verslaving bestudeerd.
In een onderzoek uit 2018 werden functionele MRI en elektro-encefalografie (EEG) gecombineerd om de hersenactiviteit bij alcoholcraving in kaart te brengen.
Daarbij werden veranderingen gevonden in een netwerk van hersengebieden, waaronder de dACC, pgACC, nucleus accumbens en PCC.
Deze bevindingen ondersteunen het idee dat craving niet vanuit één afzonderlijk hersengebied ontstaat, maar uit de samenwerking tussen meerdere netwerken.
Ook bij mensen met problematisch eetgedrag en verslavingskenmerken werden in BRAI3N-gerelateerd onderzoek overeenkomsten gevonden met hersenactiviteit die betrokken is bij alcoholverslaving.
Dat betekent niet dat voedsel- en alcoholverslaving identiek zijn. De bevindingen wijzen wel op gedeeltelijk overlappende neurobiologische mechanismen.
Deze inzichten zijn belangrijk omdat ze mogelijke aangrijpingspunten bieden voor behandelingen die de activiteit van betrokken hersennetwerken proberen te beïnvloeden.
Een verslavingsbehandeling richt zich niet alleen op het verminderen of stoppen van het gebruik.
Ook de mechanismen die het verslavingsgedrag in stand houden, verdienen aandacht.
Daarom bestaat de behandeling doorgaans uit een combinatie van medische begeleiding, psychologische of psychiatrische zorg en ondersteuning bij gedragsverandering.
Afhankelijk van de verslaving kunnen medicamenteuze behandelingen, cognitieve gedragstherapie, motiverende gespreksvoering, terugvalpreventie en begeleiding bij ontwenningsverschijnselen aangewezen zijn.
Een belangrijk behandeldoel is het leren herkennen en reguleren van craving.
Neuromodulatie biedt een aanvullende benadering waarbij we de hersennetwerken, die betrokken zijn bij craving en gedragscontrole, gericht te beïnvloeden.
Neuromodulatie is een behandelbenadering waarbij de activiteit van zenuwen en hersennetwerken met elektrische of magnetische stimulatie wordt beïnvloed.
Bij verslaving richt het wetenschappelijk onderzoek zich vooral op netwerken die betrokken zijn bij:
- Craving en de verwachting van beloning.
- Motivatie en gewoontevorming.
- Het onderdrukken van impulsen.
- Emotieregulatie en stress.
- Het aanpassen van aangeleerd gedrag.
Het doel is om bepaalde processen die de verslaving in stand houden te beïnvloeden, zodat de drang mogelijk minder intens wordt en gedragsverandering beter ondersteund kan worden.
Afhankelijk van de aandoening en het klinische beeld kunnen verschillende vormen van niet-invasieve neuromodulatie worden overwogen.
Daaronder vallen transcraniële elektrische stimulatie (tES), transcraniële magnetische stimulatie (TMS) en bepaalde vormen van neurofeedback.
Een belangrijk onderdeel van het wetenschappelijk onderzoek van prof. Dr. Dirk De Ridder en prof. Dr. Sven Vanneste richt zich op de anterieure cingulate cortex.
Bij patiënten met ernstige alcoholafhankelijkheid werd onderzocht of beïnvloeding van dit hersengebied de intensiteit van craving kan veranderen.
In een vroege klinische casus leidde gerichte magnetische stimulatie van de dorsale ACC tot een tijdelijke vermindering van alcoholcraving.
In een daaropvolgende casus en een kleine haalbaarheidsstudie werd onderzocht of langduriger stimulatie via geïmplanteerde elektroden invloed kon hebben op ernstige, therapieresistente alcoholafhankelijkheid.
In de haalbaarheidsstudie bij acht patiënten werd een gemiddelde afname van de gerapporteerde alcoholcraving van ongeveer 61% gevonden.
Deze onderzoeken zijn wetenschappelijk relevant omdat ze laten zien dat het beïnvloeden van een specifiek hersengebied samen kan gaan met veranderingen in craving.
De resultaten van geïmplanteerde stimulatie kunnen echter niet rechtstreeks worden gelijkgesteld aan die van niet-invasieve neuromodulatie.
Bij BRAI3N ligt de klinische nadruk op niet-invasieve technieken.
Ook transcraniële elektrische stimulatie wordt onderzocht als aanvullende behandeling bij verslavingsproblematiek.
In internationale evidence-based richtlijnen werd voor een specifiek tDCS-protocol gericht op de prefrontale hersenschors al in 2017 een aanbeveling van niveau B, ofwel waarschijnlijk effectief, geformuleerd voor verslaving en craving.
Sindsdien is het wetenschappelijk onderzoek verder uitgebreid.
Een systematische review en meta-analyse uit 2025 vond bij patiënten met alcoholafhankelijkheid een gemiddeld gunstig effect van niet-invasieve hersenstimulatie op de intensiteit van craving.
Ook bij andere middelenverslavingen worden klinisch relevante veranderingen in craving onderzocht.
De bewijskracht verschilt echter per verslavingsvorm, stimulatietechniek en behandelprotocol.
Een vermindering van craving betekent bovendien niet automatisch dat langdurige abstinentie of terugvalpreventie is aangetoond.
Ook neurofeedback vormt een interessant onderzoeksterrein.
Bij neurofeedback wordt hersenactiviteit gemeten en krijgt de patiënt informatie waarmee bepaalde activiteitspatronen kunnen worden getraind.
In een gerandomiseerde, dubbelblinde, placebogecontroleerde studie onderzochten prof. Dr. Dirk De Ridder, prof. Dr. Sven Vanneste en collega's het effect van infraslow neurofeedback bij vrouwen met overgewicht of obesitas en kenmerken van voedselverslaving.
De training was gericht op de posterieure cingulate cortex.
Na zes behandelsessies werden veranderingen gevonden in de elektrische activiteit van dit hersengebied, samen met een afname van bepaalde vormen van voedselcraving.
Een andere exploratieve studie onderzocht high-definition transcranial pink noise stimulation (HD-tPNS), gericht op de anterieure cingulate cortex.
Ook daar werden aanwijzingen gevonden voor een tijdelijke vermindering van de intense drang om te eten.
Deze resultaten ondersteunen verder onderzoek naar de mogelijkheid om craving via verschillende hersennetwerken te beïnvloeden.
Verslaving ontstaat en blijft bestaan door een samenspel van lichamelijke, neurologische, psychologische en sociale factoren.
Neuromodulatie kan proberen invloed uit te oefenen op processen die betrokken zijn bij craving en gedragscontrole.
Psychologische begeleiding helpt om uitlokkende situaties te herkennen, nieuwe gedragspatronen op te bouwen en met moeilijke emoties of terugvalrisico's om te gaan.
Wanneer ook angststoornissen, depressieve klachten of andere psychiatrische problemen aanwezig zijn, is het belangrijk om deze mee te behandelen.
De combinatie van neuromodulatie met gespecialiseerde verslavingszorg sluit aan bij onze visie om neurowetenschappelijke inzichten te verbinden met een bredere, patiëntgerichte behandeling.
Neuromodulatie is geen vervanging voor medische ontwenning of psychiatrische begeleiding. Zeker bij afhankelijkheid van alcohol of bepaalde geneesmiddelen kan abrupt stoppen gevaarlijke ontwenningsverschijnselen veroorzaken en is medische begeleiding noodzakelijk.
1. In kaart brengen
Tijdens een eerste evaluatie bespreken we de verslavingsproblematiek, het verloop van de klachten, eerdere behandelingen en de omstandigheden waarin craving ontstaat.
We besteden onder meer aandacht aan de intensiteit van craving, uitlokkende situaties, stress, slaap, stemming en eventuele bijkomende psychiatrische klachten.
Een qEEG-meting en analyse geeft aanvullende informatie geven over de elektrische hersenactiviteit. Het is echter geen zelfstandige diagnosetest voor verslaving en kan niet op zichzelf bepalen welk neuromodulatieprotocol het beste resultaat zal geven.
2. Gericht behandelen
Op basis van de klinische beoordeling bekijken we of neuromodulatie een zinvolle aanvullende behandelmogelijkheid is.
De behandeling kan zich richten op hersennetwerken die betrokken zijn bij craving, motivatie of gedragscontrole.
Waar aangewezen wordt dit afgestemd met de psychologische, psychiatrische of andere gespecialiseerde verslavingsbehandeling.
3. Stabiliseren
Tijdens het behandeltraject volgen we hoe de klachten evolueren.
We kijken onder meer naar de intensiteit en frequentie van craving, het gebruik of verslavingsgedrag, het dagelijks functioneren en de vooruitgang binnen het bredere hersteltraject.
Bij onvoldoende verbetering wordt de gekozen behandelbenadering opnieuw geëvalueerd.
4. Onderhouden
Wanneer er verbetering optreedt, bekijken we hoe deze zo goed mogelijk behouden kan blijven.
Verdere psychologische of psychiatrische begeleiding, terugvalpreventie en sociale ondersteuning blijven daarbij belangrijke onderdelen van het herstel.
Niet iedere patiënt heeft neuromodulatie nodig of doorloopt hetzelfde traject.
Ervaart u ondanks eerdere behandelingen een aanhoudende of sterk terugkerende craving?
Dan kan het zinvol zijn om te onderzoeken of neuromodulatie een aanvullende behandelmogelijkheid biedt.
BRAI3N is een internationaal expertisecentrum voor neuromodulatie, waar wetenschap en zorg samenkomen.
Door de nauwe samenwerking tussen neurowetenschappers en clinici worden wetenschappelijke inzichten zorgvuldig naar de klinische praktijk vertaald.
Tijdens een eerste evaluatie bekijken we uw klachten, eerdere behandelingen en de mogelijkheden voor een individueel behandeltraject.
Anterior Cingulate Implant for Alcohol Dependence: Case Report
De Ridder D, Manning P, Glue P, Cape G, Langguth B, Vanneste S. Neurosurgery. 2016;78(6)–E893.
Digitalized transcranial electrical stimulation: A consensus statement
Brunoni AR, Ekhtiari H, Antal A, Auvichayapat P, Baeken C, Benseñor IM, et al. Clinical Neurophysiology. 2022;143:154–165.
Lefaucheur JP, André-Obadia N, Antal A, Ayache SS, Baeken C, Benninger DH, et al. Clinical Neurophysiology. 2014;125(11):2150–2206.
Evidence-based guidelines on the therapeutic use of transcranial direct current stimulation (tDCS)
Lefaucheur JP, Antal A, Ayache SS, Benninger DH, Brunelin J, Cogiamanian F, et al. Clinical Neurophysiology. 2017;128(1):56–92.
Neuromodulatie als interventie voor verslaving: stand van zaken en toekomstperspectief
Luigjes J, Breteler R, Vanneste S, De Ridder D. Tijdschrift voor Psychiatrie. 2013;55(11):841–852.
Psychosurgery Reduces Uncertainty and Increases Free Will? A Review
De Ridder D, Vanneste S, Gillett G, Manning P, Glue P, Langguth B. Neuromodulation. 2016;19(3):239–248.
The brain, obesity and addiction: an EEG neuroimaging study
De Ridder D, Manning P, Leong SL, Ross S, Sutherland W, Horwath C, Vanneste S. Scientific Reports. 2016;6:34122.
The neural correlates of the unified percept of alcohol-related craving: a fMRI and EEG study
Huang Y, Mohan A, De Ridder D, Sunaert S, Vanneste S. Scientific Reports. 2018;8:923.
De Ridder D, Vanneste S, Kovacs S, Sunaert S, Dom G. Neuroscience Letters. 2011;496(1):5–10.
Leong SL, Vanneste S, Lim J, Smith M, Manning P, De Ridder D. Scientific Reports. 2018;8:11659.
Allostasis in health and food addiction
De Ridder D, Manning P, Leong SL, Ross S, Vanneste S. Scientific Reports. 2016;6:37126.
Anterior Cingulate Cortex Implants for Alcohol Addiction: A Feasibility Study
Leong SL, Glue P, Manning P, Vanneste S, Lim JL, Mohan A, et al. Neurotherapeutics. 2020;17(3):1287–1299.
Anterior Cingulate Cortex in Addiction: New Insights for Neuromodulation
Zhao Y, Sallie SN, Cui H, Zeng N, Du J, Yuan T, et al. Neuromodulation. 2021;24(2):187–196.
Opgemaakt door Prof. Dr. Sven Vanneste, Prof. Dr. Dirk De Ridder en Jan Ost - 22..10.2026
Deze aandoeningen hebben te maken met gehoor en evenwicht en kunnen een grote impact hebben op je dagelijks leven.
Deze aandoeningen beïnvloeden de hersenfunctie, wat kan leiden tot problemen met aandacht, geheugen en motoriek.
Psychische aandoeningen kunnen diepgeworteld zijn in neurobiologische disfuncties.
Chronische pijn en vermoeidheid zijn vaak moeilijk te behandelen met conventionele methoden, vooral wanneer er geen duidelijke lichamelijke oorzaak is.
Slaap en energiebeheer zijn essentieel voor het functioneren van de hersenen. Problemen in deze gebieden kunnen leiden tot ernstige vermoeidheid en concentratieproblemen.
Hoofdpijn en aangezichtspijn kunnen het gevolg zijn van complexe neurologische processen.
Onze specialisten staan klaar om je te helpen. Ontdek welke behandelingen mogelijk zijn of plan een consultatie.