Burn-out syndroom

Wat is burn-out syndroom?

Stress is een normale overlevingsreactie op een bedreigende situatie. In een gevaarlijke situatie zal de hartslag en de ademhaling versnellen, komt adrenaline vrij in de bloedbaan en spannen de spieren zich op. Ons lichaam maakt zich automatisch klaar om te vechten of te vluchten.

Wanneer stress chronische vormen aanneemt, of wanneer de hoeveelheid stress groter wordt dan dat je als persoon aankan, kan dit tot lichamelijke klachten leiden. Pas wanneer de klachten ontstaan naar aanleiding van werkgerelateerde stress spreekt men van een burn-out syndroom. Het burn-out syndroom wordt dus gedefinieerd als een overmatige stressreactie op de professionele omgeving.

Een Burn-out syndroom bestaat uit drie grote kenmerken: emotioneel uitgeput zijn, depersonalisatie (zelfvervreemding; het besef van de eigen persoonlijkheid wordt minder maar toch blijft men op de hoogte van zijn identiteit) en een laag zelfbeeld hebben.

Typische symptomen voor een burn-out syndroom zijn:

Deze symptomen zijn te vergelijken met die van het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) en met post-traumatisch stresssyndroom (PTSS). Maar anders dan bij CVS of PTSS wordt een burn-out syndroom voorafgegaan door een langdurige periode van werkgerelateerde stress. Volgens een onderzoek van Securex (2014) zou maar liefst 64% van alle werknemers te kampen hebben met psychische en fysische ongemakken ten gevolge van werkgerelateerde stress.

Studies tonen aan dat burn-out syndroom geassocieerd is aan het uiteenvallen van het stresscoping-netwerk (amygdala, anterieure cingulate cortex, insula, dorsolaterale prefrontale cortex) in de hersenen.
Deze gebieden zijn betrokken bij het bepalen van wat gedragsmatig belangrijk is, evenals bij het sturen van het sympathische deel (vlucht- en vechtreactie) van het autonome zenuwstelsel.

Hoe kan burn-out syndroom behandeld worden?

Het is nog niet mogelijk om burn-out syndroom te objectiveren d.m.v. biomarkers. Daarvoor zijn de resultaten van verschillende onderzoeken niet consistent genoeg. Maar dat burn-out een neurobiologische aandoening is lijkt ontegensprekelijk.

Een qEEG kan het verschil in hersenactiviteit tussen mensen met burn-out en gezonde vrijwilligers in kaart brengen. Dit geeft ons de mogelijkheid om op termijn na te gaan of het qEEG-onderzoek burn-out kan objectiveren.

Met neuromodulatie-technieken, in het bijzonder neurofeedback, kan worden geprobeerd om het uiteengevallen stresscoping-netwerk te hertrainen. Met double cone coil TMS kan stressreductie worden bekomen.

Psychotherapie of medicatie kan worden toegepast om een herval te voorkomen. Er is immers een reden waarom men uitgeput is geraakt. Een psycholoog kan hierin inzicht brengen en naar oplossingen zoeken opdat men in de toekomst niet meer in dezelfde valkuilen trapt.