Tinnitus objectief meten? Eerste TIDE-resultaten

30.10.2026

Kunnen we tinnitus binnenkort objectief meten?

‍

Internationale TIDE-studie toont veelbelovende resultaten

‍

Een internationaal onderzoeksproject waaraan ook BRAI3N in Gent meewerkt, heeft een belangrijke stap gezet in de zoektocht naar een objectieve methode om tinnitus te detecteren.
De eerste resultaten tonen aan dat hersenactiviteit waardevolle informatie kan geven over de aanwezigheid van tinnitus en mogelijke verschillen tussen patiënten.

‍

Tinnitus: een geluid dat niemand anders hoort

‍

Wie tinnitus heeft, hoort geluiden die niet afkomstig zijn van een externe geluidsbron. Dat kan een piep, ruis, zoemtoon of fluittoon zijn.

Voor sommige mensen zijn deze geluiden nauwelijks hinderlijk. Bij anderen kunnen ze een grote invloed hebben op concentratie, slaap, emoties en het dagelijks functioneren.

Een van de grootste uitdagingen binnen de tinnituszorg is dat we tinnitus momenteel niet rechtstreeks met een gevalideerde klinische test kunnen aantonen of de intensiteit ervan objectief kunnen bepalen.

Artsen en onderzoekers zijn daardoor grotendeels aangewezen op wat patiënten zelf ervaren en rapporteren.

Maar wat als we tinnitus zouden kunnen herkennen aan de manier waarop onze hersenen functioneren?

Dat is de centrale onderzoeksvraag van het internationale Tinnitus Detection (TIDE) Consortium.

‍

‍

Een internationale samenwerking met BRAI3N

‍

Het TIDE Consortium brengt onderzoekers samen van zeven onderzoekscentra in vijf landen.

Het project wordt ondersteund door de Amerikaanse Rainwater Charitable Foundation en heeft als doel een betrouwbare, objectieve methode te ontwikkelen om tinnitus te detecteren.

Ook BRAI3N in Gent maakt deel uit van dit internationale onderzoeksnetwerk.

De Belgische onderzoeksgroep in BRAI3N staat onder leiding van prof. dr. Dirk De Ridder, met medewerking van Sarah Rambour.

Ook prof. dr. Sven Vanneste, verbonden aan Trinity College Dublin, speelt met zijn onderzoeksteam een belangrijke rol binnen het internationale consortium.

In totaal onderzochten de wetenschappers meer dan 560 deelnemers, zowel mensen met chronische tinnitus als mensen zonder tinnitus.

Naast hersenactiviteit werden onder meer gehoorverlies, tinnitusklachten, angst en geluidsgevoeligheid onderzocht.

Op 17 september 2026 werden de eerste resultaten gepresenteerd tijdens de internationale Tinnitus Research Initiative Conference in Berlijn.

‍

‍

Wat onderzochten de wetenschappers?

‍

De onderzoekers gebruikten elektro-encefalografie (EEG) om de elektrische activiteit van de hersenen te meten.

‍

Daarbij werden drie verschillende benaderingen onderzocht:

1. Hoe reageren de hersenen op een korte stilte in geluid?

De onderzoekers bestudeerden hoe een korte onderbreking in achtergrondgeluid de hersenreactie op een volgend geluid beïnvloedt.

Bij deelnemers met tinnitus werd een verminderde onderdrukking van deze reactie gevonden.

‍

2. Wat gebeurt er wanneer een verwacht geluid uitblijft?

Onze hersenen voorspellen voortdurend welke prikkels we kunnen verwachten.

Het onderzoek vond verschillen in de hersenreacties op onverwacht ontbrekende geluiden bij mensen met tinnitus.

‍

3. Wat gebeurt er wanneer de hersenen in rust zijn?

Met een EEG-meting tijdens rust onderzochten de onderzoekers hoe verschillende hersengebieden met elkaar communiceren, zonder dat er geluiden werden aangeboden.

Vooral deze laatste methode leverde veelbelovende resultaten op.

‍

‍

Hersennetwerken maken tinnitus mogelijk herkenbaar

‍

Door de EEG-metingen te combineren met machinelearning konden de onderzoekers patronen herkennen die samenhingen met de aanwezigheid van tinnitus.

De analyse van de hersenactiviteit in rust leverde de beste resultaten op.

Het model kon op basis van de hersenactiviteit met een veelbelovende nauwkeurigheid onderscheid maken tussen mensen met en zonder tinnitus. (AUC van ongeveer 0,80Dit is een wetenschappelijke maat voor hoe goed een methode onderscheid kan maken tussen twee groepen. Een waarde van 0,50 komt overeen met toeval; een waarde van 1,00 betekent een perfect onderscheid).
Dit is een belangrijke stap in de ontwikkeling van een objectieve methode om tinnitus te meten.

‍

Opvallend was dat de belangrijkste verschillen niet uitsluitend werden gevonden in hersengebieden die betrokken zijn bij het horen.

‍

De onderzoekers vonden ook een verhoogde functionele connectiviteit binnen het frontopariëtale netwerk.

Dit netwerk is onder meer betrokken bij aandacht en de verwerking van informatie.

‍

Deze bevinding sluit aan bij het inzicht dat tinnitus niet alleen een probleem is van het gehoorsysteem, maar samenhangt met de activiteit en samenwerking van verschillende hersennetwerken.

‍

Drie mogelijke neurofysiologische tinnitusprofielen

‍

Een tweede interessante bevinding is dat tinnitus mogelijk niet bij iedereen op dezelfde manier in de hersenen tot uiting komt.

Door de resultaten van de drie EEG-experimenten te combineren, identificeerden de onderzoekers drie voorlopige neurofysiologische patronen bij mensen met tinnitus.

Deze patronen zouden kunnen wijzen op verschillende biologische vormen van tinnitus.

Dat is bijzonder relevant voor de verdere ontwikkeling van gepersonaliseerde behandelingen.

Wanneer we beter begrijpen welke hersennetwerken bij een individuele patiënt betrokken zijn, kan dit in de toekomst mogelijk helpen om behandelingen gerichter af te stemmen.

De drie gevonden patronen moeten wel nog verder onderzocht en onafhankelijk bevestigd worden.

‍

‍

Waarom is dit onderzoek belangrijk voor tinnitusbehandeling?

‍

Bij BRAI3N vertrekken we vanuit het inzicht dat tinnitus samenhangt met de werking van hersennetwerken.

Bij BRAI3N passen we gerichte neuromodulatie toe om de activiteit van hersennetwerken die betrokken zijn bij tinnitus en de verwerking ervan te beïnvloeden. Hiermee streven we ernaar de tinnitusklachten en hun impact op het dagelijks leven te verminderen.

Het TIDE-onderzoek sluit aan bij deze neurowetenschappelijke benadering.

De ontwikkeling van een objectieve EEG-gebaseerde biomarker zou op termijn belangrijke mogelijkheden kunnen bieden:

  • De aanwezigheid van tinnitus objectiever helpen vaststellen.
  • Verschillende neurofysiologische tinnitusprofielen herkennen.
  • De evolutie van tinnitus beter volgen.
  • De effecten van behandelingen objectiever evalueren.
  • De ontwikkeling van gerichte, gepersonaliseerde behandelingen ondersteunen.

‍

De huidige resultaten betekenen nog niet dat tinnitus vandaag met een EEG betrouwbaar kan worden gediagnosticeerd.

Het onderzoek vormt wel een belangrijke stap in die richting.

‍

‍

Wetenschap en patiëntenzorg dichter bij elkaar brengen

‍

Het TIDE-project laat zien wat mogelijk wordt wanneer internationale onderzoeksgroepen hun expertise en gegevens samenbrengen.

Door metingen van verschillende centra op een gestandaardiseerde manier te analyseren, konden onderzoekers nagaan of de resultaten ook standhouden buiten één laboratorium.

De eerste bevindingen zijn bemoedigend en vormen een basis voor verdere wetenschappelijke ontwikkeling.

Voor BRAI3N is deelname aan dit onderzoek een belangrijk onderdeel van onze missie: wetenschappelijke inzichten zorgvuldig vertalen naar de klinische praktijk.

‍

‍

Meer weten over tinnitus en onze behandelingen?

Lees meer over tinnitus en de behandelmogelijkheden bij BRAI3N.

‍

Bron

Rainwater Charitable Foundation. 28 oktober 2026.

Can We Finally Measure Tinnitus? New Findings from the TIDE Consortium Offer a Promising Path Forward

‍

Tide consortium | 7 centra | 5 landen

‍